Waarom we kinderen serieus moeten nemen in de wetenschapscommunicatie

Als we activiteiten voor kinderen ontwikkelen over wetenschap, dan lijken we vaak (onbewust) aan te nemen dat plezier daarbij het belangrijkste is. Volgens Jan van Baren-Nawrocka van het Wetenschapsknooppunt van de Radboud Universiteit (WKRU) moeten we kinderen juist zeer serieus nemen als we met ze communiceren over wetenschap. Dat betekent aansluiten bij hun belevingswereld. Die belevingswereld is veel breder dan ‘fun’. Lees hier een samenvatting van zijn keynote tijdens het minisymposium ‘Beyond Fun’ dat NEWS samen met het WKRU op 13 november in Nijmegen organiseerde.

Bij het Wetenschapsknooppunt van de Radboud Universiteit ontwikkelden we een paar jaar geleden twee projecten voor leerlingen: een escaperoom over magnetisme en een archiefonderzoek naar het slavernijverleden. In de escaperoom doorliepen ze fictieve ruimtes met magnetisme-experimenten, waarbij het invoeren van de juiste code toegang gaf tot de volgende ruimte. In het archiefonderzoek reconstrueerden de leerlingen het verhaal van een tot slaaf gemaakte jongeman die werd vrijgelaten, aan de hand van papieren en online archiefstukken.

Beide projecten werden voor dezelfde subsidie ingediend, met een vergelijkbaar voorstel en even gemotiveerde en competente onderzoekers. Een van de twee projecten kreeg uiteindelijk een subsidie: de escaperoom. Het slavernijonderzoek werd afgewezen met de boodschap dat het niet innovatief genoeg zou zijn. Hoewel beide projecten uiteindelijk door leraren evenveel gewaardeerd werden vanwege hun laagdrempeligheid en bruikbaarheid in de klas.

Is spel echt nodig?

Het uiteindelijke subsidieoordeel lijkt gebaseerd te zijn op de neiging om te denken dat kinderen alleen betrokken raken bij wetenschap als er een spelelement wordt toegevoegd. Hoewel daar niets mis mee is, moeten we ons afvragen: is dit wel echt zo?

In de escaperoom gingen sommige leerlingen zo op in het puzzelen dat de inhoud naar de achtergrond verdween, terwijl anderen juist het spel vergaten omdat ze volledig opgingen in het experimenteren. Het evenwicht vinden tussen spel en inhoud bleek een uitdaging. Dit spanningsveld zien we vaker, zoals bij projecten waar kinderen enthousiast knutselden of posters maakten, maar nauwelijks aandacht besteedden aan de inhoudelijke bronnen. Een spel kan de inhoud versterken, maar ook overschaduwen.

Neem kinderen serieus

We kunnen kinderen maar beter serieus nemen. Dat betekent niet dat ‘fun’ uit de wetenschapscommunicatie moet verdwijnen, maar dat we het spelelement niet de overhand laten nemen. Kinderen serieus nemen betekent aansluiten bij hun belevingswereld. En die belevingswereld is breder dan alleen ‘pret’.

Kinderen hebben bijvoorbeeld opa’s en oma’s, zwangere familieleden of broertjes en zusjes. Ervaringen in hun leven kunnen ingrijpend zijn en vormen een belangrijk deel van hun werkelijkheid. Moeilijke onderwerpen – zoals ziektes, dierproeven of scheidingen – sluiten daarbij aan. We hoeven en moeten die juist niet (te) vermijden. Ze vragen weliswaar om zorgvuldigheid, ruimte voor emoties en overleg met de leraar, maar ze horen erbij. Kinderen en hun ervaringen moeten we dus zeer serieus nemen. Want als we hun werkelijkheid te smal opvatten, raken we hun aandacht en betrokkenheid kwijt.

Wat wetenschappers en kinderen delen

Onderwijs over wetenschap kan kinderen uitdagen door hen uit te nodigen in de belevingswereld van de onderzoeker. Wat wetenschappers en kinderen bij uitstek delen is nieuwsgierigheid en fascinatie. Zodra we die overlap weten aan te boren, ontstaat plezier als vanzelf.

Natuurlijk is verleiden belangrijk, en gamificatie kan daarbij helpen. Maar naar mijn mening is het cruciaal dat het spel niet de kern van een activiteit overschaduwt. Zoals alle mensen hebben kinderen een beperkte cognitieve verwerkingscapaciteit. Zowel spel als informatie kost verwerkingstijd. De vraag is dus: waar wil je die capaciteit voor inzetten?  Ik zou willen betogen dat we die zoveel mogelijk beschikbaar houden voor de inhoud van wetenschap. Fascinatie opwekken kan ook heel simpel zijn: bijvoorbeeld door een heel oud boek te tonen.

Recht op wetenschap

Ook voor kinderen heeft wetenschap een grote invloed  op hun leven en ze hebben dus net zoveel recht op kennis over wetenschap als volwassenen. Hoe kan je die kennis dan goed met ze communiceren? Dat kan bijvoorbeeld op drie manieren: verhalen over onderzoek als proces, onderzoekende activiteiten met aandacht voor het proces (bijvoorbeeld citizen science), en onderzoekend leren waarbij kinderen zelf onderzoek doen vanuit hun nieuwsgierigheid. Deze vormen vragen om tijd en vaardigheden, maar geven leerlingen ook eigenaarschap over het onderzoeksproces, wat de betrokkenheid sterk vergroot.

Kinderen serieus nemen betekent niet dat we hen ook als volwassenen moeten gaan behandelen. Het vraagt juist om oog voor hun ontwikkelingsfase en het aanpassen van onze aanpak daaraan. In de onderbouw redeneren kinderen nog niet logisch, maar dat betekent niet dat onderzoek onmogelijk is. Het kan juist heel goed vanuit verwondering: het stellen van vragen, het ontdekken van verrassingen en het ervaren van nieuwsgierigheid. In de bovenbouw kunnen kinderen vaak nog niet volledig abstract denken. De oplossing ligt dan in het zo concreet mogelijk maken van onderwerpen, zodat zij grip krijgen op de inhoud.

Werkgeheugen

Bij het ontwikkelen van activiteiten moeten we rekening houden met de beperkte capaciteit van het werkgeheugen. Die kan 7 ± 2 items nieuwe informatie aan. Het helpt als die kan worden gekoppeld aan bekende kennis. Kinderen hebben minder houvast omdat zij minder kennis en ervaring hebben om nieuwe informatie aan op te hangen. Hun werkgeheugen raakt dus sneller overbelast.

Taal

Ook taalgebruik is belangrijk als we kinderen serieus willen nemen. Het gebruik van echte begrippen uit de wetenschap is belangrijk voor zowel taalontwikkeling als inhoudelijk leren. De beperking zit niet in het gebruik van de terminologie zelf, maar in het aantal nieuwe begrippen dat tegelijk wordt geïntroduceerd.

Moeilijke begrippen vervangen door een bekend alternatief kan daarnaast verwarrend werken, omdat bestaande woorden al een eigen lading hebben. Het verlaagt de belasting van het werkgeheugen niet, tenzij het alternatief exact hetzelfde betekent. De leeropbrengst wordt juist kleiner. Daarom is het van belang om te kiezen welke begrippen essentieel zijn en die goed uit te leggen. Als er te veel moeilijke woorden overblijven, is het verhaal waarschijnlijk te groot of te complex.

Een voorbeeld uit de biologie is het woord hydrofiel. Door het te ontleden in hydro (water) en fiel (liefde), wordt de betekenis – waterminnend – helder. Ook in de taalkunde kan dit werken: zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een zelfstandigheid aanduiden, variërend van concrete zaken zoals mensen, dieren en dingen, tot abstracte begrippen zoals gevoelens, eigenschappen en denkbeeldige figuren. Dit is een moeilijk begrip dat we allang heel gewoon vinden om te gebruiken en uit te leggen aan kinderen.

Metaforen

Een manier van communiceren die heel verleidelijk is in communicatie met kinderen is het gebruik van het metaforen. Metaforen vragen echter om terughoudendheid. Ze kunnen bruikbaar zijn voor uitleg, maar kinderen begrijpen metaforen minder makkelijk dan volwassenen, omdat het vaak abstract denken vraagt.

Bovendien vergroten ook metaforen de cognitive load en activeren ze enthousiasme over iets anders dan het onderwerp zelf. Het is dus belangrijk om heel bewust met metaforen om te gaan. Het risico is namelijk dat kinderen de metafoor onthouden, maar niet de inhoud waar het eigenlijk om gaat. Als je het afweersysteem van het lichaam bijvoorbeeld uitlegt in termen van politie of leger en je blijft in deze metafoor praten, kunnen de details van hoe het afweesysteem echt werkt verdwijnen achter het beeld van een legermacht.

Metaforen kunnen zeker nuttig zijn bij de uitleg van wetenschap, maar het is belangrijk het heel bewust te doen en je af te vragen of het echt nodig is een metafoor te gebruiken om een principe uit te leggen, of dat het ook zonder metafoor op een toegankelijke manier begrijpelijk kan worden gemaakt. Als je wel voor een metafoor kiest is het belangrijk metaforen niet door elkaar te gebruiken en niet in de metafoor te blijven hangen.

De metafoor van een leger is kan een goede manier zijn om het afweersysteem uit te leggen, maar alleen door het als parallel te gebruiken, ook in de details. Stel dat een bepaald soort cellen goed te vergelijken is met een generaal. Benoem dat en praat vervolgens in termen van cellen en niet van generaals, zodat de beeldspraak het verhaal niet volledig overneemt.

Het bovenstaande geldt ook voor fysieke metaforen, bijvoorbeeld een activiteit waarbij bekertjes met reagerende vloeistoffen worden gebruikt om besmettingspatronen uit te leggen: als het wel kleurt bij overgieten ben je besmet, as het niet kleurt ben je niet besmet. Het is ook daarbij beter om direct te spreken over wel of niet besmet raken en niet over het overgieten van de vloeistof om in de taal van het onderwerp te blijven.

Veelzijdig vak

Het beeld bestaat soms dat wetenschapscommunicatie naar kinderen iets is dat iedereen kan. Ik hoop dat ik duidelijk te hebben gemaakt dat het een vak is, waarin expertise van groot belang is. Het vraagt kennis van ontwikkelingspsychologie, van leerprocessen en van cognitieve belasting. Het vraagt om zorgvuldige keuzes in taal, didactiek en vormgeving.

Kinderen serieus nemen betekent hen uitnodigen in de wereld van de wetenschap, met respect voor hun ontwikkelingsfase en met oog voor hun mogelijkheden. Dat maakt wetenschapscommunicatie naar kinderen niet alleen waardevol, maar ook professioneel.