‘Klopt dit nou eigenlijk wel?’ Hoe je als wetenschapscommunicator omgaat met misinformatie

Wat is het verschil tussen mis- en desinformatie? Wat zijn bestaande aannames over de impact ervan? En hoe gaan we als wetenschapscommunicatoren ermee om? Deze en nog veel meer vragen kwamen tijdens onze Meet the Expert-sessie ‘Des- en misinformatie: hoe gaat de wetenschapscommunicatie daarmee om?’ op 20 november aan bod.

Samen met senior onderzoeker Luuk Ex van het Rathenau Instituut, wetenschapsjournalist Ronald Veldhuizen en enthousiaste onderzoekers, wetenschapscommunicatoren en -journalisten gingen we in gesprek over welke valkuilen in de journalistiek kunnen leiden tot misinformatie, of debunken zinvol is en hoe je over wetenschap communiceert, zonder in nuance te verdwalen.

Wel of geen intentie
Zoals Luuk Ex eerder met ons deelde, zijn er grote zorgen in de maatschappij over des- en misinformatie, waaronder ‘nepnieuws’. Hierbij is desinformatie volgens het Rathenau Instituut “de verspreiding van grotendeels of geheel (wetenschappelijk) ongefundeerde claims waarvan de verzender weet dat ze niet kloppen, met als doel om geld te verdienen, voor vermaak of een combinatie hiervan, of om het democratisch proces te verstoren”. Bij misinformatie is die intentie er niet.

Een van de slides van Luuk Ex over de zorgen over de effecten van online ‘nepnieuws’

Tsunami aan misinformatie
Maar wat gebeurt er als mensen aan misinformatie op social media worden blootgesteld? Geloven ze dat dan direct en gaan ze zich ook anders gedragen? ‘Dat causale verband wordt vaak gesuggereerd, maar uit onze literatuurstudie blijkt dat dat veel complexer ligt’ zegt Luuk.

‘We horen wel eens krachttermen als “er komt een tsunami aan misinformatie over mensen heen”, maar het is belangrijk om de context erbij te bedenken. Mensen pikken namelijk niet alleen informatie op via social media, maar ook via andere bronnen, zoals kranten, familie en vrienden of tv en radio’.

Overschat of onderschat probleem
Daarnaast is het zo dat niet iedereen die misinformatie ziet, er direct in gelooft. ‘Geloof in misinformatie en verandering van gedrag is niet 1 op 1 over te nemen’ deelt Luuk. Vervolgens zou dit geloof in misinformatie vaak leiden tot wetenschapsscepsis, maar ook dat verband is niet gemakkelijk vast te stellen. Daarom is het lastig te zeggen of misinformatie een overschat of onderschat probleem is, wat risicovol kan zijn voor beleidsmakers. Luuk: ‘Niets doen aan misinformatie is risicovol, maar interventies zijn ook niet vrijblijvend. Uit onderzoek blijkt namelijk dat deze kunnen zorgen dat mensen niet alleen wantrouwig worden tegen misinformatie, maar tegen alle informatie die ze tegenkomen’.

Misinformatie zit eigenlijk overal
En hoe ga je als wetenschapsjournalist of persvoorlichter met misinformatie om? Daar had Ronald Veldhuizen wel ideeën over. ‘Iedereen heeft een rol en verantwoordelijkheid in het verspreiden van feitelijk juiste informatie. Onder tijdsdruk of door belangen is een foutje snel gemaakt. Niet alleen journalisten, maar ook persvoorlichters en wetenschappers kunnen overdrijvingen of foutieve beweringen verspreiden. Misinformatie zit eigenlijk overal en als je niet oppast draag je er zelf aan bij’ deelt Ronald. ‘Daarom zit je als journalist in een proces van “klopt dit nou eigenlijk wel”’.  

Hoe ga je als wetenschapsjournalist om met misinformatie?

1. Zet je voelsprieten aan. Is dit een bewering die mensen in hun dagelijks leven raakt? Waarover ze zich zorgen kunnen maken?  Ga je mee in een kwalijk frame of bepaalde beeldvorming? Wees dan extra alert op een foutje.

2. Getallen zijn verleidelijk: iets is twee keer zo erg, of een x procent gevaarlijker dan. Geef cijfers geen kans om een eigen leven te laten leiden. Benoem ze bijvoorbeeld liever helemaal niet als je veel uitleg en context nodig hebt. De context kan altijd wegvallen en dan blijft er alleen het schrikbarende cijfer over.

3. Controleer zelf altijd de bron. Léés het onderzoek. Staat de bewering daar ook echt zo in? En zo nee, waarom dan niet? Wat is er anders? Probeer dat te doorgronden, desnoods met hulp van buitenaf.

4. Vertrouw niemand (helemaal). Iemand kan heel enthousiast zijn over een bepaald onderzoek. Dan is het juist zaak om even pas op de plaats te maken en te kijken: klopt dit wel? Check bijvoorbeeld eerst een onderzoek met onafhankelijke experts voordat je erover publiceert. Als er veel problemen met een studie zijn, kies er dan ook gewoon voor om er niet over te schrijven.

Context is van belang
Zo moet je erg opletten met getallen. Ronald: ‘ik las een tijd terug een krantenkop: “voor elke 50g vlees die je eet, vergroot je de kans op darmkanker met 20%”. Dat leidde snel tot veel vragen. Als je 100g vlees eet, is de kans dan 40%? Procenten kunnen dus lastig te begrijpen zijn’. Wat hier misging, was dat de context en de uitleg rond de cijfers niet was meegenomen in het artikel. ‘Cijfers hebben de neiging om als precies en waar gezien te worden, maar daar komt meer bij kijken. Er zit een verhaal omheen. Zorg dus dat ze glashelder zijn.’

Die getallen zijn ook van belang bij het communiceren over onzekerheid in onderzoek, was niet altijd gemakkelijk is. ‘Wat wij vaak doen is uitleggen wat de kans is op iets, door het concreet te maken met absolute getallen’ zegt Ronald. ‘Stel dat XX, dan zou het kunnen dat XX mensen dit probleem tegenkomt. Schrijf onzekerheid dus als getallen op, want mensen hebben meer moeite met het begrijpen van percentages’.

Gezond wantrouwen
Onderzoekers doen soms ook uitspraken die niet helemaal waar zijn, maar wel mediageniek. Ze worden sterker gemaakt of anders geïnterpreteerd. ‘Blijf dus alles controleren. Gezond wantrouwen is heel belangrijk’ zegt Ronald. En realiseer je ook goed of je meegaat in een frame. ‘Bij een fact check ben je onware beweringen aan het herhalen en kijk je of het klopt of niet. Denk als journalist dan na over wat voor bijdrage dat is aan de discussie. Kan je ook een ander format kiezen?’.

‘Daarnaast kan je mensen verwijzen naar de plek waar ze zelf goede informatie kunnen vinden’ vult Luuk aan. ‘Bij het herhalen en ontkrachten van misinformatie zou altijd nog iets kunnen blijven hangen van de “misinformatie” als je de juiste informatie hebt gegeven. Ook verspreid je de misinformatie verder’. Daarom zou dit doorverwijzen kunnen helpen. ‘Mensen zijn vaker ongeïnformeerd dan gemisinformeerd’.